Skip to content

Informatieverplichting bij elektronisch contracteren

blog electronisch contracteren

Tegenwoordig is het elektronisch contracteren niet uit het dagelijkse leven weg te denken. Zo heeft iedereen wel eens op een website een concertkaartje besteld of een vliegticket geboekt.

De wetgever zag deze ontwikkeling al snel aankomen. Vanaf 2004 zijn in het Burgerlijk Wetboek wetsartikelen opgenomen die betrekking hebben op het tot stand komen van een overeenkomst via elektronische weg.

Je zou dus denken dat met name professionele partijen die hun zaken via internet doen bekend zijn met die wettelijke regels én zich daaraan ook houden. Toch niet altijd, zo blijkt uit een geval dat ik recentelijk in behandeling had. Wat was er aan de hand?

Mijn cliënte had een geschil met een bekend online ticketbureau. Zij zou als consument een aantal kaartjes voor een concert bij dat bureau via internet besteld hebben. Die tickets waren vervolgens onbetaald gebleven, waarna het ticketbureau mijn cliënte had gedagvaard voor de kantonrechter.

Bij de rechter voerde mijn cliënte verweer: zij had betreffende kaartjes niet besteld én niet afgenomen, zodat er ook niet betaald hoefde te worden. Volgens mijn cliënte zou er misbruik zijn gemaakt van haar inloggegevens. Iemand anders had met behulp van het e-mailadres van mijn cliënte kaartjes besteld. Bovendien zou mijn cliënte op momenten dat er besteld was ook niet eens in de gelegenheid zijn geweest om die bestellingen bij het ticketbureau te doen.

Dit standpunt werd door de rechter niet gehonoreerd. Het was namelijk gebleken dat door het ticketbureau bij de bestelling zowel een controle-email met code als een orderbevestiging waren gestuurd. Beide waren op het e-mailadres van mijn cliënte aangekomen. De rechter was dan ook van oordeel dat de bewuste tickets vanuit het e-mailadres van cliënte waren besteld. Dat de kaartjes uiteindelijk niet waren afgenomen moest voor rekening en risico van cliënte.

Maar bij dat oordeel bleef het gelukkig voor mijn cliënte niet. Namens haar voerde ik namelijk ook aan dat het ticketbureau zich niet had gehouden aan de wettelijke bepalingen die gelden bij het aangaan van een elektronisch overeenkomst. Zo had het bureau haar informatieverplichtingen in artikel 6:227b van Burgerlijk Wetboek verzaakt. Het gevolg is dat de overeenkomst moest worden vernietigd, zo bepleitte ik bij de rechter. Dat verweer trof doel.

De rechter stelde namelijk vast dat in artikel 6:227b lid 1 Burgerlijk Wetboek is bepaald dat de dienstverlener, zoals het ticketbureau, voordat de overeenkomst langs elektronische weg tot stand komt op duidelijke, begrijpelijke en ondubbelzinnige wijze informatie dient te verstrekken aan de klant. Het gaat daarbij om [6:227b lid 1 sub a t/m sub e BW]:

a. de wijze waarop de overeenkomst tot stand zal komen en in het bijzonder welke handelingen daarvoor nodig zijn;

b. het al dan niet archiveren van de overeenkomst nadat deze tot stand gekomen zal zijn, alsmede, indien de overeenkomst wordt gearchiveerd, op welke deze voor de wederpartij te raadplegen zal zijn,

c. de wijze waarop de wederpartij van door hem niet gewilde handelingen op de hoogte kan geraken, alsmede de wijze waarop hij deze kan herstellen voordat de overeenkomst tot stand komt,

d. de talen waarin de overeenkomst kan worden gesloten,

e. de gedragscodes waarin de dienstverlener zich heeft onderworpen en de wijze waarop deze gedragscodes voor de wederpartij langs elektronische weg te raadplegen zijn.

Deze vijf informatieverplichtingen zijn dwingend voorgeschreven voor de manier van elektronisch zaken doen vanaf een website. Dit betekent dat wanneer een dienstverlener zich daar niet aan houdt de overeenkomst door de klant kan worden vernietigd.

Met mij oordeelde de rechter dat het ticketbureau deze informatie niet aan mijn cliënte had verschaft. Evenmin bleek uit de website van het bureau dat aan de vijf informatieverplichtingen was voldaan.

Mijn beroep om de overeenkomst, voor zover er die was, te vernietigen, werd door de rechter dan ook overgenomen. Nu de overeenkomst was vernietigd hoefde mijn cliënte niet te betalen. Het ticketbureau werd in het ongelijk gesteld en veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van mijn cliënte.

Gelukkig voor mijn cliënte werd de claim tegen haar afgewezen. Voor het ticketbureau lijkt mij de uitkomst een reden om eens goed naar haar juridische manier van dienstverlening te kijken.

Dit blog is geschreven door

Onderwerp

Wij gebruiken cookies enkel voor het bijhouden van onze bezoekersaantallen in Google Analytics.