Skip to content

Een letselschadeslachtoffer ontvangt een schadevergoeding. Hoe zit het dan met de belasting?

Over het algemeen geldt dat een letselschade-uitkering niet fiscaal belast wordt als inkomen uit arbeid en onderneming (oftewel box 1). De Belastingdienst kan hier echter anders over denken en (een deel van) de uitkering toch beschouwen als belastbaar inkomen. Het is om die reden dan ook gebruikelijk dat bij de afwikkeling van een letselschadezaak een zogenaamde ‘belastinggarantie’ wordt overeengekomen tussen de verzekeraar die de schadevergoeding met uitkeren en het letselschadeslachtoffer. Deze garantie bepaalt dat de verzekeraar de inkomstenbelasting zal betalen indien de fiscus de letselschade-uitkering achteraf toch belast. Het slachtoffer hoeft deze belasting dan dus niet zelf te betalen.

Dat betekent echter niet, dat helemaal geen belasting betaald hoeft te worden over de ontvangen schadevergoeding. Indien het vermogen van het slachtoffer door de letselschade-uitkering boven de vrijstellingsgrens voor vermogen van box 3 uitkomt is hierover wél belasting verschuldigd (voor zover dit op 1 januari van het hierop volgende jaar nog aanwezig is in het vermogen).

Kamerleden Leijten van de SP en Lodders van de VVD vonden het onrechtvaardig dat mensen die een flinke vergoeding voor geleden schade op hun spaarrekening zetten, daar dan belasting over moesten aftikken. Zij pleitten er dan ook voor dat letselschadevergoedingen voor slachtoffers onbelast zouden blijven.1

Staatssecretaris van Financiën, Menno Snel, heeft hierop in een brief aan de Tweede Kamer gereageerd op dit voorstel.2 Hoewel hij het onbehagen van de slachtoffers in deze situatie begrijpt en onderkent dat dit ongewenst is, wil hij toch niet meegaan in een uitzondering voor de vergoeding die letselschadeslachtoffers krijgen. Hij haalt daartoe aan dat de spaartaks vanaf 2022 sowieso op de schop gaat. Mensen met spaargeld krijgen dan een veel grotere vrijstelling over hun spaartegoed, namelijk met de huidige rentestanden wel €440.000,-.3 Dat is een stap in de goede richting voor letselschadeslachtoffers, maar dan zijn we er nog niet. Een vergoeding die boven die vrijstelling uitkomt, zal immers alsnog belast worden.

Een vrijstelling acht Snel echter geen optie. Hij schrijft, dat wanneer er een vrijstelling ingevoerd wordt, ook bepaalbaar moet zijn wat daaronder valt. En dat is volgens hem ‘in principe niet mogelijk’ bij een letselschade-uitkering. De vergoeding kan volgens hem namelijk ‘verwateren’ met de rest van het spaargeld. Op een gegeven moment is dan niet meer te achterhalen of iemand nu geld verbruikt van de schadevergoeding, of van al eerder gespaard vermogen. Alleen indien de letselschadevergoeding op een aparte rekening wordt gezet met opnamevoorwaarden, zonder mogelijkheid tot storting en met meldingsverplichtingen aan de Belastingdienst is een dergelijke vrijstelling volgens Snel voor de Belastingdienst uitvoerbaar. Hij is geen voorstander van een dergelijk systeem.

Ofwel: letselschadeslachtoffers zullen vanaf 2022 ook gaan profiteren van de verhoogde vermogensvrijstelling voor box 3-belasting, maar het fiscaal volledig buiten schot kunnen houden van schadevergoedingen is helaas nog niet in zicht. Wat ons betreft iets voor Den Haag om zich nog eens over te buigen!

1Motie Leijten-Lodders over letselschadevergoedingen (ingediend op 15 november 2018, Kamerstukken II 2018/19, nr. 35026, nr. 55).
2Kamerstukken II 2018/19, 35302, nr. 7 (Kamerbrief).
3Kamerstukken II 2018/19, 35026, nr. 74 (Kamerbrief).

Dit blog is geschreven door

Onderwerp

Wij gebruiken cookies enkel voor het bijhouden van onze bezoekersaantallen in Google Analytics.