Skip to content

Onbehoorlijk bestuur, en niet corona, leidde tot faillissement

Een bestuurder rommelde behoorlijk aan in zijn bedrijf. Toen dit failliet ging, werd hij aansprakelijkheid gehouden voor het boedeltekort. Zijn excuus, ‘het lag aan de coronacrisis’, gaat niet op.

Een man is bestuurder en enig aandeelhouder van een detacheringsbureau. Dat levert personeel aan een restaurant, waarvan de man indirect bestuurder is. Zijn detacheringsbureau gaat failliet. De curator constateert dat er van alles mis is. Er was geen geordende administratie, en sinds de oprichting van de onderneming in 2017 zijn er geen jaarrekeningen gedeponeerd. Daarmee heeft de bestuurder de administratie- en publicatieplicht geschonden. Er is dan sprake van een kennelijke onbehoorlijke taakvervulling waarvan wordt vermoed dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Verder voldeed de bestuurder niet aan de inlichtingen- en medewerkingsplicht, is hij bewust schulden aangegaan zonder de intentie om deze te betalen en hij heeft gefraudeerd met voorschotten die zijn bedrijf kreeg op grond van de Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid (NOW-voorschotten). Ook heeft hij zich bevoordeeld boven andere schuldeisers door zichzelf loon te betalen uit die voorschotten. En nadat de man het bestuur overdroeg aan zijn opvolger, bleef hij de macht uitoefenen: hij is ‘feitelijk beleidsbepaler’. De curator wil dat de bestuurder een voorschot betaalt op het boedeltekort.

Feitelijk beleidsbepaler

De rechtbank Midden-Nederland gaat in die eis mee. Op grond van de wet kan de curator van een gefailleerde vennootschap iedere bestuurder tegenover de boedel (hoofdelijk) aansprakelijk stellen voor het boedeltekort als het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld. Ook de rechtbank ziet de bestuurder als feitelijk beleidsbepaler: hij had de dagelijkse leiding en hij had als enige inzage in de administratie en toegang tot de bankrekeningen. De NOW-voorschotten gebruikte hij voor het salaris van het personeel, maar zichzelf betaalde hij er ook van. Tel daarbij op de schending van de administratie- en publicatieplicht, en er ontstaat het vermoeden dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Daarvan wordt vermoed dat het een belangrijke oorzaak is van het faillissement.

Corona

Volgens de bestuurder is de coronapandemie de reden van het faillissement. Maar de stelling alleen dat hij daar ‘last’ van had, vindt de rechtbank te mager. Zo wordt het wettelijk vermoeden niet ontzenuwd. Vóór de uitbraak van het coronavirus had de man al forse schulden. Hij heeft ook niet gesteld dat het beter zou gaan met zijn bedrijf als de coronapandemie niet zou zijn uitgebroken, of dat dan het faillissement had kunnen worden voorkomen. Hij had moeten toelichten waarom andere bedrijven in deze branche, ook met behulp van de NOW-voorschotten, de coronacrisis wel hebben kunnen overleven. Dit heeft hij niet gedaan.

Bestuursverbod

De rechtbank is van oordeel dat de onbehoorlijke taakvervulling door de bestuurder een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement. Hij is als feitelijk beleidsbepaler aansprakelijk voor het boedeltekort. Hij moet een verdachte transactie van de zakelijke rekening naar zijn privérekening terugbetalen (€ 42.463) en een voorschot op het boedeltekort (€ 636.424). Ook krijgt hij een bestuursverbod voor vijf jaar.

ECLI:NL:RBMNE:2023:1523

Bron:Rechtbank Midden-Nederland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBMNE:2023:1523 | 04-07-2023

Wij gebruiken cookies enkel voor het bijhouden van onze bezoekersaantallen in Google Analytics.